OPINIE (De Morgen) - Mag je een 'speciaal' mens bewusteloos slaan?

<p><span><a href="https://www.demorgen.be/opinie/mag-je-een-speciaal-mens-bewusteloos-slaan-b4cbdf85/">Camera's registreerden hoe de Gentenaar Hendrik (85) zware klappen kreeg. Omwille van zijn mening, die hij vrank verkondigde</a>.</span></p>
Camera's registreerden hoe de Gentenaar Hendrik (85) zware klappen kreeg.

Opiniestuk verschenen in De Morgen, 23 februari 2017.
Reeds meer dan 4835 keer gedeeld.
Klik HIER voor het originele artikel.

Stel: een bende jonge skinheads pest en vernedert een 85-jarige man van Turkse origine al jarenlang. Ze gooien de ruiten van zijn huis stelselmatig in. Op een bepaald moment wordt de oude man bewusteloos geslagen door jongeren. Zou dat uitgebreid de nationale media halen? Ja. En terecht. Zouden pers en samenleving verontwaardigd zijn? Ja. En terecht. Want het is relevant en we moeten vermijden dat racisten dat opnieuw en straffeloos kunnen doen.

Stel: een jongerenbende van Gents-Turkse origine bedreigt een Gentse man van 85, al jaren. Ze vernederen hem als hij buitenkomt. Ze spuwen in zijn gezicht. Ze slaan om de paar weken zijn ramen in. Er volgen ontelbare andere pesterijen. Want de man, Hendrik, hangt slogans uit tegen onverdoofd slachten. En dat vinden sommige mensen niet leuk. Vorige week is Hendrik door jongeren voor zijn deur bewusteloos gestampt. Hij heeft een zware hoofdwonde.

Is dat belangrijk nieuws? Ja. Want de feiten zijn bij politie, justitie en pers al jarenlang bekend zonder dat iemand echt optreedt. Haalt het de nationale media? Nauwelijks. Is de pers verontwaardigd? Neen. Die bericht omzichtig over "ongenoegen bij mensen van bepaalde religies". Maar diezelfde journalisten - in Het Laatste Nieuws en op VTM - bestempelen Hendrik zonder schroom en expliciet als moslimhater en antisemiet. 'Hij heeft het toch wel zelf uitgelokt om bewusteloos te worden gestampt', staat er net niet bij. Het Nieuwsblad brengt een kort maar correct artikel. En dat was het dan. Een 'fait divers'. Daarna kan iedereen weer wegkijken.

Kogelvrij glas
Wat voorafging: Hendrik hangt al tientallen jaren slogans uit aan zijn raam. Tegen alles wat hij onrechtvaardig vindt. De jagers, de kapitalisten, de fascisten, de katholieke kerk, het mishandelen van dieren. Hij noemde de vorige paus een nazi omwille van zijn Hitlerjugend-verleden en conservatieve standpunten. Hij hing provocatief een DDR-vlag aan zijn gevel. Als hem racisme werd verweten, plakte hij cynisch een affiche aan zijn venster: 'Het zijn hier allemaal racisten'. En zo hing hij ook een affiche op met een foto van een schaap: 'Wie is er bang van de islam? Ik, arm schaap'. Als een stierenvechter gegrepen werd door een stier, schreef hij erbij: 'Goed nieuws: de stier heeft gewonnen'. Grof? Ja, natuurlijk. En dikwijls kwetsend ook.

Maar het is opvallend dat de pesterijen en het geweld pas begonnen sinds Hendrik een vijftal jaar geleden slogans tegen onverdoofd slachten begon uit te hangen. Sinds dat moment wordt hij bedreigd door jongeren die hem zeggen dat hij moet stoppen met het 'beledigen van de islam'.

H.E., een man van Turkse origine, plaatste een paar jaar geleden filmpjes op Facebook. Altijd met dezelfde procedure: Hendrik werd uitgedaagd, uitgelachen, bespuwd, vernederd en "een vieze, stinkende oude man" genoemd. Als hij dan emotioneel en overstuur reageerde, werd zijn reactie gefilmd. Dat zette H.E. op Facebook, en impliciet riep hij op om "deze racist" aan te pakken. Ze zouden hem wel eens "de keel kunnen oversnijden zoals bij de schaapjes".

Sinds die oproep werden de ruiten van Hendriks huis tientallen keren ingegooid, zijn huis beklad, zijn bloembakken aan diggelen geslagen - een permanente psychologische terreur voor hem en zijn partner. Hij moest zelfs kogelvrij glas plaatsen. In 2013 werden drie jongeren bij klaarlichte dag op heterdaad betrapt toen ze de ruiten voor de zoveelste keer instampten. De jonge daders, van Gents-Turkse origine, werden opgepakt. De zaak werd geseponeerd.

Op een keer stond H.E. met de kapotte bloembakken in zijn handen voor het huis van Hendrik en zei hij tergend: "Zijn uw bloemetjes kapot? Ocharme. Ik zal ze terugzetten." Toen Hendrik daar klacht tegen indiende, verwijderde H.E. snel zijn gewelddadige oproepen maar hij postte cynisch: "Ik mag niets meer schrijven over de racist, want het is een oude man." Met een smiley.

H.E. zei dat hij via zijn "politieke vrienden" een klacht wegens racisme tegen Hendrik zou indienen bij UNIA. Iets later kreeg Hendrik inderdaad bezoek van de politie. H.E. wachtte hem na dat politiebezoek aan zijn deur op om hem uit te lachen.

H.E. en de jongeren gingen dus gewoon door met hun terreur omdat ze merkten dat ze toch niet gestraft werden.

Hendrik had in Gent tientallen jaren het beroemde bruine café Tussen Tap en Tepel. Een gezellige zaak met goede wijn en kaas en prachtige muziek van over de hele wereld. Hij voerde diepgaande gesprekken met zijn bezoekers. Maar elke klant kende hem ook als een 'speciale', die plots emotioneel kon reageren. Spaanse klanten die het stierenvechten of Franco niet veroordeelden, werden niet bediend. Idem dito met iemand die de jacht verdedigde. Hij pakte mij ooit verbaal heftig aan omdat hij het niet eens was met de teneur van mijn tv-reportages over de aanslagen van ETA in Spanje.

Ik was 25 jaar zijn buur en ik ken hem vooral als een anarchist. Ik weet ook dat hij hard en kwetsend kan zijn tegen iedereen die dieren onnodig leed aandoet. En dan houdt hij geen rekening met religies of met persoonlijke bedreigingen aan zijn adres. Maar ik ken ook zijn erg gevoelige kant.

Ooit liet ik hem het nummer 'La Corrida' horen van de Franse zanger en milieuactivist Francis Cabrel. In dat lied beschrijft Cabrel het stierenvechten vanuit de ogen van een stier. Hendrik begon te wenen en verdween plots zonder iets te zeggen. Een half uur later kwam hij terug met een prachtig en zeer emotioneel gedicht, 'Sombere zon', over het leed van de stieren in Spanje. Als hij een foto ziet van een schaap dat onverdoofd wordt geslacht, zie je aan zijn gezicht dat hij de pijn en de angst van het dier voelt. Samen met zijn partner vangt hij al tientallen jaren vele verwaarloosde honden op.

Het kan Hendrik niet schelen wat mensen van hem denken. Hij beschouwt het als zijn missie om mishandelde wezens te helpen. Hij doet dat verbaal scherp en soms grof, maar altijd geweldloos.

Zou ik de affiches van Hendrik aan mijn raam hangen? Neen. Vind ik dat hij dat recht heeft? Ja.

Zonder koudwatervrees
Ik kan begrijpen dat moslims het niet makkelijk hebben met al wat nu in de wereld gebeurt. Telkens opnieuw veroordeeld of gestigmatiseerd worden omwille van IS en consorten moet verschrikkelijk zijn. En daarom snap ik dat ze gevoeliger kunnen zijn voor kritiek. Maar fysiek geweld en intimidatie zijn onaanvaardbaar.

Ik hoop dus dat diegenen die het niet met hem eens zijn, stoppen met de pesterijen en het geweld. We leven in een democratie waarin we eeuwen moesten vechten voor vrije meningsuiting.

Ik hoop dus ook dat de pers deze feiten in de toekomst durft te brengen, correct en zonder vooroordelen tegenover wie dan ook. Zonder koudwatervrees.

Ik hoop ook dat de politie en het gerecht deze zaak van jarenlang geweld nu echt au sérieux nemen. Want nu heeft de hoogbejaarde man de zoveelste raid van een jongerenbende overleefd. Volgende keer ook nog?

VRT Blog: Kind zoekt pleeggezin

Pleegzorg. Voor ik aan mijn reportage begon te werken, wist ik er weinig over. Ik kende zelfs geen mensen met pleegkinderen. Of dat dacht ik toch. Op buurtfeesten en in de straat leerde ik Lorin en Bart kennen, een fijn koppel met twee toffe kinderen. Pleegkinderen, zo bleek later. Die het geluk hebben gehad om in een warm nest te belanden, met papa’s die van hen houden alsof ze van hen zelf zijn. Maar dat zijn ze niet, en dat is de moeilijkheid. Pleegouders hebben kinderen in leen. Voor korte of lange tijd, maar altijd in de wetenschap dat het kind voor wie ze zorgen op een dag weer uit hun leven kan verdwijnen. Het is een straf engagement. Onbaatzuchtig en niet gemakkelijk.
 
‘We aanvaarden het als pleegkinderen terugkeren naar hun biologische ouders als ze daar veilig en gelukkig kunnen zijn, maar we gaan kapot als we weten dat ze in een onstabiele situatie terechtkomen’, vertelt pleegmama Rosette. Met haar man Bruno gaf ze in 33 jaar tijd maar liefst 53 pleegkinderen een tijdelijke goede thuis. Ze heeft eindeloos veel herinneringen over elk van hen. Van mooie momenten en een goede afloop, maar soms ook van moeilijkheden en verdriet.
 
Want pleegzorg is een verhaal met vele kanten. Van de pleegouders, maar ook van de biologische ouders. Van de begeleiders in zorginstellingen, van hulpverleners en jeugdrechters. En in de eerste plaats: van de kinderen zélf.
 
Ik praatte met biologische ouders wiens kind in een pleeggezin was geplaatst. En zag de wanhoop in hun ogen en in hun woorden. Het breekt hun hart dat ze hun kind niet zelf kunnen of mogen opvoeden. Al beseffen ze vaak zelf dat het niet anders kan.
 
Ik ontmoette vele pleegkinderen die gelukkig zijn bij hun pleegouders. Maar me ook vertelden dat ze meestal verzwijgen dat ze pleegkind zijn. Omwille van de vooroordelen, pesterijen op school of andere dingen die hen ‘anders dan de anderen’ maken. Een voorbeeld: zonder de toelating van de biologische ouders, met wie de relatie meestal niet optimaal is, mogen pleegkinderen niet op Facebook. Het lijkt een futiel detail, maar voor puberjongeren die al veel doorstaan hebben, is het een hindernis bij om een normaal leven te leiden.
 
Ik praatte met pleegkinderen die boos waren op jeugdrechters omdat ze hun biologische ouders moesten blijven zien. Omdat ze in hun hoofd en hart thuis waren bij hun pleeggezin, en het contact met hun echte ouders als emotioneel verwarrend en onthechtend aanvoelen.
 
En jeugdrechters vertelden me dan weer dat ze slapeloze nachten hebben wanneer ze geen geschikte plaats vinden voor een kind.
 
Een verhaal met vele kanten, dus. Waarin het grote gelijk of de ideale oplossing niet bestaat. Het gaat om het leven van kinderen en dan loop je altijd op eieren.
 
Ik heb zelden zo’n moeilijke reportage gemaakt als deze over pleegzorg in Vlaanderen. De research en de opnames zullen nog lang een diepe indruk op me laten. Omwille van het engagement en de emoties van alle betrokkenen.


Verwarring

Zelden heb ik zoveel altruïsme en belangeloze inzet ervaren. Zelden heb ik zo dikwijls tranen in de ogen gehad tijdens interviews. Te sterke betrokkenheid van een journalist is niet altijd een goede eigenschap. Maar het motiveerde me om me steeds verder te verdiepen in de vele studies en meningen over pleegzorg, over jeugdinstellingen, over de gevolgen van een moeilijke jeugd op de rest van je leven…

In Vlaanderen zijn er elk jaar 400 kinderen die geen pleeggezin vinden. Daardoor komen ze in jeugdinstellingen terecht waar ze niet thuishoren, ondanks de inspanningen van de zorgverleners daar. Gigantisch veel levens die een moeilijke, soms onherstelbare start kennen.

In de reportage zocht ik uit hoe het komt dat er zo weinig kandidaat pleegouders zijn en wat er aan gedaan kan worden. Het werd me snel duidelijk dat pleegzorg in Vlaanderen onbekend en dus ook onbemind is. Vele mensen verwarren pleegzorg met adoptie. Sommigen denken dat de kinderen die in pleegzorg terechtkomen iets mispeuterd hebben. En dat klopt niet: meestal belanden kinderen in pleegzorg omdat de situatie bij hun biologische ouders onveilig of onstabiel is. Daardoor denken weer andere mensen dat pleegzorg een trieste en problematische bedoening is. Maar op de ontmoetingsdag van de Vlaamse Vereniging voor Pleegouders kwam ik vooral gelukkige ouders en kinderen tegen.


Gebrekkig statuut

De tientallen pleegouders die ik ontmoette waren erg bezig met het geluk van de kinderen die ze tijdelijk onder hun vleugels krijgen. En ze nemen er het gebrekkige statuut van pleegouders maar bij. De Vlaamse overheid promoot pleegouderschap en zorgt voor de omkadering. Maar het statuut van pleegouder, het wettelijke kader zeg maar, is een federale materie. En die federale overheid vindt het blijkbaar geen prioriteit om daar werk van te maken.

Ondertussen vinden al meer dan 6.000 pleegkinderen een warme en veilige tijdelijke thuis bij 4.500 Vlaamse gezinnen. Dat zijn er veel, maar nog niet genoeg. Ik hoop dat de reportage in "Panorama" gezinnen zal aanzetten om zich tenminste te informeren bij de overkoepelende organisatie Pleegzorg Vlaanderen. Want er zijn vele vormen van pleegzorg: korte of lange termijn, fulltime of af en toe … Uit een recente bevraging blijkt dat 94 procent van de Vlaamse pleegouders erg gelukkig is met hun keuze. Dat is misschien nog het belangrijkste cijfer van allemaal. Een cijfer dat voor zich spreekt. 

(Chris Michel maakte voor "VRT Panorama" de reportage "Kind zoekt pleeggezin". Deze column is verschenen op de VRT-blog op 13 november 2014)

VRT Blog: De laatste Oostfronters op Koppen

‘Waarom zouden we bang geweest zijn ? Natuurlijk waren we dat niet.’ Dries maakt zich kwaad wanneer ik hem vraag of hij niet bang was toen hij in 1941 met het Vlaams Legioen naar het Oostfront vertrok. ‘Bang om te sterven ?’ probeer ik nog. De kranige 91 jarige Dries wordt er niet rustiger van: ‘Ik begrijp niet dat zulke vragen gesteld worden’.

Nochtans was de kans op sterven groot voor de naar schatting 12.000 Vlaamse vrijwilligers die in de tweede wereldoorlog met de Duitsers tegen het Stalinistische Rusland vochten. Een paar jaar nadat ze triomfantelijk door de straten van Brussel en Antwerpen marcheerden naar de trein die hen naar het oosten zou brengen waren er 5.000 van hen dood. Duizenden anderen waren zwaar verminkt. In lichaam en ziel.

Op het einde van de tweede wereldoorlog deelde het Vlaamse, maar ook het Waalse Legioen in de klappen die het Rode Leger toebracht aan Nazi Duitsland. De meesten van de Vlaamse vrijwilligers die vertrokken waren nauwelijks 18 jaar en hadden nog nooit een wereld gezien die er anders uitzag dan hun Vlaamse dorp. Een paar maanden later zagen ze hun kameraden één voor één naast hen letterlijk aan flarden schieten. ‘Mijn stervende vrienden huilden en riepen soms dagen lang op een paar meter van mij.’ Voor het eerst zie ik tranen in de ogen van Dries. ’En ik kon er niet bij omdat we permanent beschoten werden. Ik hoor hen nu nog altijd op hun moeder roepen.‘ Als hij daaraan denkt moeten we het gesprek even stop zetten. Het wordt hem te veel.

Nochtans was alles zo heldhaftig begonnen. Toen Albert op de radio hoorde dat de Duitsers Rusland aanvielen meldde hij zich als eerste vrijwilliger om te gaan meevechten. De Kerk stelde: ‘ Rome of Moskou ?’, zegt Albert. ‘En ik wilde deel uitmaken van de geschiedenis. Ik wilde de Duitsers helpen de Bolsjewisten tegen te houden.’ In de ogen van Albert lees ik dat hij er toen van uitging dat dat zou lukken en dat hij na de oorlog als een triomfator in België zou worden onthaald. Een oorlog die niet lang zou duren, dachten ze. ‘Drie kwart van de Belgen was er in 1940 van overtuigd dat de Duitsers snel zouden winnen’, zegt Dries. ‘De Duitsers beloofden ons ook een vrij Vlaanderen. Eindelijk weg onder het juk van België’. Dries had nog een extra motief om naar het Oostfront te trekken.

Maar ze kwamen niet terug als helden naar hun Vlaanderen. ‘Op de plekken in Antwerpen en Brussel waar we in 1941 met bloemen werden toegejuicht werden we in 1945 in elkaar geslagen en bespuwd’. Terwijl de 99 jarige Albert dit zegt, staart hij voor zich uit en zie ik hem denken hoe het anders had kunnen zijn: ‘Ik was jong en naïef. Ik werd misleid door de propaganda. Ik zou mijn leven niet opnieuw beginnen.’

Albert en Dries zeggen dat ze niets wisten van de gaskamers van de nazi’s. Albert dook in 1945 onmiddellijk onder in Duitsland: ‘Toen die gruwel van de Holocaust aan het licht kwam wist ik dat de repressie tegen ons zwaar zou zijn. Ik begrijp die wraak ook.’

Albert en Dries werden in 1945 door de Krijgsraad in België ter dood veroordeeld omdat ze de wapens hadden opgenomen tegen het vaderland. Dries zat 5 jaar in de Belgische repressiegevangenissen. Begin jaren ’50 week hij uit naar Duitsland. Op zoek naar werk. Want hij moest een gezin onderhouden en in het naoorlogse België kregen collaborateurs moeilijk een job. Een functie bij de overheid of in het onderwijs was helemaal uitgesloten en hun kinderen werden gepest op school.

Nu 70 jaar later heeft Dries nog steeds heimwee naar zijn Vlaanderen. Albert mist nog altijd zijn familie. En als ik vraag wat hun in hun leven het meest pijn heeft gedaan antwoorden ze allebei, los van mekaar: ‘Ik mistte mijn moeder. Ons moeder wou niet dat ik vertrok.’

En ik kon de gedachte niet vermijden: ‘Als alle vechtlustige mannen naar hun moeder zouden luisteren was er misschien geen oorlog meer’. Het is een onrealistische maar mooie gedachte. En erg naïef. Net zoals de jonge mannen die 70 jaar geleden vrijwillig ten oorlog trokken.

(Chris Michel maakte voor "VRT Koppen" de reportage over 'Oostfronters'. Deze column is verschenen op de VRT-blog op 29 mei 2014)

 

Persoonlijke blog: Naar Woodstock gaan zonder er geweest te zijn

15 februari 2012 • Tijdens mijn zoektocht  naar Vlaamse, Waalse en Nederlandse sporen in NY State doorkruis ik op een bepaald moment de Blackhead Mountains. Plots zie ik een wegwijzer Woodstock. En ik besef: ik ben vlak bij de legendarische plek van het muziekfestival uit mijn jeugd. In ’69 traden daar zowat al mijn muzikale helden op: Janis Joplin, Jimi Hendrix, Ten Years After, Melanie, Crosby Stills Nash & Young, Country Joe & the Fish, the Who, Joan Baez, Grateful Dead,  Johnny Winter, Jefferson Airplane, CCR …

Ik was al vroeg in de ban van de hippies. In ’70  ging ik in Cinema Rio in Tienen naar de film Woodstock kijken. Omwille van de seks, drugs en rock-’n-roll moest je eigenlijk 16 zijn. Maar ik raakte er – met  mijn 14 jaar – toch twee keer binnen. De beelden, de muziek en de sfeer hebben me nooit meer losgelaten. ‘Eindelijk een vrije wereld … en vrede’, dacht ik, een beetje naïef. Ook al zijn die idealen nooit helemaal uitgekomen, de hippies, het festival en de film zetten wel een nieuw tijdperk in.

Onderweg naar hier speelde een radiosatellietzender de hele tijd CCR en the Who. Nu was ik plots  op die legendarische plek. Aan een mevrouw in een betaalhokje van de Highway vroeg ik de weg naar de legendarische festivalweide. ‘Hier recht over’, zei ze. Ik kan mijn geluk niet op. Geloof het of niet, maar als ik de veldweg van de festivalweide oprij, speelt de zender een nummer van Jimi Hendrix …  Ik zit op een wolk. Ik zie zelfs niet dat er om de 10 meter borden hangen met ‘No Hunting, No Fishing’, maar ook ‘Tresspassing  Strictly Forbidden’. En ook niet dat ‘elke overtreding streng door de politie zal vervolgd worden’.

Iets verder, op een open plek langs de veldweg wordt het plaatje compleet. Een scene uit een roadmovie: een scheef hangend standbeeld van een  soort Griekse filosoof zonder voeten en een hoop verroeste stoelen. Ik stop en stel me een meisje voor, rechtstaand in de regen van ‘69, onder een deken, in de armen van haar vriend. Ik vraag me af waar Jimi Hendrix stond met zijn haarband  terwijl hij met zijn tanden de gitaarsnaren deed loeien. En ik probeer me te herinneren hoe Crosby, Stills, Nash & Young er uit zagen toen ze nog  jong waren en het leven voor zich hadden.

Op de heuvel zie ik ineens een boerderij. Maar  ik zie ook dat een pickup in volle vaart mijn richting uitrijdt. Ik stel me plots de films voor met een gekke Jack Nicholson: in een afgelegen gebied, in een dergelijke wagen, met een tweeloop en een heel kwade hond op de passagierszetel. Voor Aristoteles maak ik snel rechtsomkeer. Onder begeleiding van Jimi Hendrickx stuif ik richting openbare weg. Zo vredig is het hier toch ook niet, denk ik. 

Ik raak Jack Nicholson kwijt en rij naar Woodstock dorp om een koffie te drinken. Ik wil napraten over het legendarische festival met de locals die er oud genoeg uitzien. Die hoop wordt aan diggelen geslagen: de barvrouw vertelt me dat het echte Woodstock niet hier heeft plaatsgevonden. Omwille van het overweldigende  succes  van de voorverkoop besloten de organisatoren uit te wijken naar een boerderij in het dorpje  Bethel, op 65 km hier vandaan. Maar voor het gemak hebben ze de naam Woodstock behouden.  De volgende jaren vond er op de oorspronkelijke weide van Woodstock nog wel een festival plaats.

Ik  voel mij een beetje een kieken want nu herinner ik me dat ik dat eigenlijk wel ooit had gelezen … Op de kaart zie ik dat er tussen Woodstock en Bethel een bergketen ligt. Ik besluit niet de grote weg, maar de bosweg door de Catskill Mountains te volgen. Het is een oud pad langs de rivier, langs waar de indianen beverpelsen naar de kolonisten brachten. Het  sneeuwt mooi tussen de eikenbomen en de gigantische sparren. Af en toe zie ik in de meertjes bomen liggen die naarstige bevers hebben omgeknaagd. Het doet mij plezier dat hier hoegenaamd nog bevers zijn. Gedurende eeuwen werden ze op vraag van de kolonisten massaal afgeslacht. Door de pelsenmode in het Europa van de 17de en de 18de eeuw werd de beverpopulatie in Rusland al voor 1700 zo goed als uitgeroeid. Daarna kwamen de dure pelsen van bevers en otters van hier.

Ik stop aan de rivier in het bos en denk aan de Indianen die hier in de 17de eeuw liepen. Toen ze nog dachten dat ze eerlijk zouden behandeld worden door de Europese kolonisten. Het draaide anders uit. Ze werden later bedrogen, vermoord, verkracht en  in reservaten gedreven om te creperen. In naam van de filosofie ‘Manifest Destiny’ die omstreeks 1800 opgeld maakte en waarbij het blanke Angelsaksische ras zich superieur beschouwde. De eeuwen voordien hadden de Spanjaarden en Portugezen al met dezelfde filosofie miljoenen Indianen in Midden- en Zuid-Amerika uitgemoord.

Ik denk daardoor terug aan mijn middelbare schooltijd. Toen ik spreekbeurten gaf om mijn klasgenoten te overtuigen dat de Westernfilms de zaken verkeerd voorstelden en dat de Indianen op zijn zachtst gezegd niet altijd de slechten waren. Ik promootte de eerste Western die daar toen eindelijk eerlijk over was: Soldier Blue uit 1970. Ik spaarde om lid te worden van een organisatie die zich bezig hield met het lot van de Noord-Amerikaanse Indianen. En ik was verheugd dat de massamoordenaar generaal George Custer in 1876 met zijn 7th Calvalry door Crazy Horse, Sitting Bull en de Sioux werd verslagen in Little Big Horn.  En net zoals Redbone in de jaren ’70 zong,voelde en voel ik me samen met de Indianen Wounded at Wounded Knee.

Op het einde van het indianenpad in de vallei zie ik een boerderijtje dat maple syrup verkoopt en ik vraag me af hoe dat smaakt.

Ik kom pas tegen vijf uur en in het donker aan in Bethel. Op de plek die mijn GPS aangeeft als het Woodstock Festival Museum Bethel. Maar ik zie alleen een hippiewinkeltje met de welluidende naam: Funky Hippy Chic Boutique. Ik stap binnen en zie een vrouw in Indische kleren  en mooi lang haar, zoals dat hoort bij hippies.  Bij een biertje vertelt Patti me dat mijn GPS fout is en dat de festivalweide en het Woodstock museum 10 minuten verderop liggen in het veld langs het meer. Ook al was ze in ’69 maar negen jaar, ze vertelt me mooie verhalen over het legendarische festival.  De beelden van de film spelen in mijn hoofd op deze voor mij gewijde grond.

Als ik daarna anderhalf uur verder rijd naar vrienden waar ik zal logeren ben ik erg tevreden over mijn dag. Ik heb nu ook een reden om nog eens terug te komen naar de weide, het museum en Patti.  Die avond speelt in een kleine kroeg van het bergdorpje van mijn vrienden een  jonge band  uitstekende jazzrock. De drummer blijkt de zoon te zijn van Jaco Pastorius, de bassist van een legendarische jazzgroep waar ik dol op ben, Weather Repport. En de volgende morgen serveren mijn vrienden mij maple syrup op mijn pannenkoeken. Het leven is mooi. 

Patti van Funky Hippy Chic Boutique in Woodstock
Woodstock Beavers

Persoonlijke blog: 9/11- namen moeten gezichten krijgen

8 februari 2012 • Een paar dagen geleden bezocht ik het  9/11 Memorial in New York. Het is  altijd raar om een plaats te bezoeken waar zoveel mensen hebben geleden. Waar de twee WTC-torens stonden, zijn nu twee grote rechthoekige diepe gaten in zwarte steen. Langs alle wanden stroomt water naar beneden. Op de rand  zwarte platen met daarin de namen van alle slachtoffers in uitgespaarde letters.

Terwijl we er rondlopen, horen we het lawaai van de werf errond. Volgend jaar zijn ook de prachtige Memorial-torens klaar. Ik zie dat iedereen anders reageert  op het verdriet van deze plek. Sommigen vragen me om een foto te nemen van hun groepje. Ze trekken breed lachende gezichten als ik afdruk. Zoals op een verjaardagfeestje.

Anderen lopen er, net als ik, heel stil bij. Ik durf eerst de namen niet te lezen. Ik probeer de site als een geheel te zien. Als ik rozen van verwanten zie steken in namen op de rand loop ik snel voorbij. Ik wil niet emotioneel worden. Maar bij het volgende groepje bloemen ga ik er toch naar toe. Ik lees Flanigan en stel me een Ierse man voor, bij Suarez een Mexicaanse vrouw. Ook bij de Frans, Duits of Nederlands klinkende namen haal ik me prototypes van mensen voor de geest. Namen moeten gezichten krijgen. Al zijn het fictieve. Dan zie ik een Jane en een Rebecca met dezelfde familienaam. Er is een roos voor elk van hen en ik krijg tranen in mijn ogen.


Ik ga in een hoekje even uitblazen en ik denk na over plots verlies van geliefden. Maar ik realiseer me ook dat ik bij geen enkele naam die ik las aan een zwarte dacht, of aan een Indiaan. Nochtans waren er onder de slachtoffers vele zwarte mensen en ‘native Americans’. Maar de relatief weinige Indianen die niet werden uitgemoord door de blanke kolonisatoren kregen Europese namen. En ook de zwarte slaven mochten hun mooie Afrikaanse namen niet meenemen. Toen ze vele generaties later vrij kwamen, kregen ze de namen van hun meesters. Ze heten Hendrickx of Rooney.

Ik ga terug naar de watervallen en probeer mij te focussen op het algemene beeld van de Memorial. En ik zie dat het water, de bron van het leven, bruisend naar beneden stort in de grote zwarte bakken. De watervallen geven energie. Na elke grote tragedie proberen  mensen meer te genieten van het leven. Voor even toch. En alleen wanneer je je op deze plek geen gezicht moet voorstellen van een geliefde.

 

 

NOS Blog: De verwondering van de minister-president

Toen ik minister-president Balkenende ontmoette in de marge van zijn wekelijkse gesprek bij de NOS, vroeg hij mij: “Wat is het grootste verschil tussen de Nederlandse en de Belgische politiek?” “Hier in Nederland zijn de politici directer maar hoffelijker met elkaar…”, antwoordde ik.  De minister-president schrok en zei dat er hier in Den Haag net een discussie aan de gang was over te veel onbeschoftheid in de Tweede Kamer. Dat snapte ík dan weer niet. Ik ben in de Belgische volksvertegenwoordiging wel wat anders gewend.

Bij zowat elke belangrijke parlementaire toespraak in Brussel krijgt de spreker verwijten toegeroepen, wordt er luid en cynisch gelachen, maakt men theatrale gebaren van misprijzen … En dat zijn dan nog de beleefde parlementaire zittingen. Op de heviger dagen zijn “leugenaar”, “bedrog”, “fascist” en nog meer van dat fraais in de Nederlandse en de Franse versie te horen.

Ik heb dan geregeld te doen met de griffiers en de vertalers die al die krachttermen moeten vastleggen voor het nageslacht. Gelukkig mag de Kamervoorzitter in Brussel, in tegenstelling tot die in Den Haag, nog wél passages laten schrappen uit de verslagen.

Vorige week was de voorzitter van de Belgische Tweede Kamer, Herman van Rompuy,  in Den Haag op bezoek bij zijn collega Gerdi Verbeet. “Dat zou ik ook wel willen in het parlement in Brussel, zo’n klokje op het spreekgestoelte” zei van Rompuy. “Maar mijnheer van Rompuy, een klokje zal niet helpen. U bent sowieso te toegeeflijk tegen sprekers die over hun tijd gaan”, zei een boude meegereisde Belgische functionaris. De heer van Rompuy lachte even maar zei niets, want de functionaris had gelijk. Een Belgische Kamervoorzitter heeft het namelijk niet onder de markt met het hoge testosterongehalte en het machogedrag van vele politici.

Mevrouw Verbeet daarentegen houdt de teugels heel wat strakker in de Nederlandse Tweede Kamer. Tijdens de maidenspeech van een politica waren er drie ministers onderling aan het praten. Dat ontging de kamervoorzitter niet en ze snauwde de keuvelende excellenties toe dat ze weinig respect toonden voor de spreekster en dat ze stil moesten zijn. De ministers keken binnen de seconde braaf en zwijgend naar de strenge voorzitter.   Zoiets had ik in Brussel nog niet gezien.

Maar toch zei mevrouw Verbeet vorige week dat ze “meer theater” wil in de Nederlandse volksvertegenwoordiging want “nu zijn er weinig spannende debatten en geen emoties”. Ik raad haar aan om met de hele Tweede Kamer een paar dagen naar Brussel op excursie te gaan. Emoties en theater genoeg daar, maar ook minder discipline en vooral ook … inhoudelijk een lager niveau dan in Nederland.

Toegegeven, de debatten in Den Haag zijn inderdaad soms een beetje saai, maar ze zijn opvallend helder en veel eerlijker dan in België. Elke Nederlandse partij bekijkt alles wel door haar bril, maar elke discussie wordt altijd gevoerd in het “algemeen belang”. In Nederland nemen de oppositieleden het ook geregeld op voor een meerderheidspoliticus als die volgens hen goede dingen doet. Dat is in Brussel vrijwel ondenkbaar. Bovendien heeft het Belgische politieke discours bijna altijd een dubbele bodem. Een politicus zegt er soms rare dingen omdat er verborgen motieven zijn.

Zo verdedigen de Waalse socialisten liever de belangen van een rijke Franstalige burger in de rand rond Brussel dan die van een Vlaamse arbeider. De politici die vrijmetselaar zijn, durven wel eens te werken met een geheime agenda tegen alles wat christelijk is. Vlaamse en Belgische nationalisten hebben tegengestelde drijfveren. Maar dat wordt nooit expliciet gezegd. Heel moeilijk en dubbelzinnig dus. En erg verwarrend voor de burger.Dàt, mevrouw Verbeet, moeten jullie in Brussel zeker niet gaan leren.  

En, mijnheer de minister-president, nu weet u ook waarom ik u even niet snapte toen u verwonderd was.

(Weblog Den Haag / Haagse redactie / 24-11-2008 / 15:34)

Chris Michel (1956) verblijft voor 2 maanden op de NOS-redactie in Den Haag. Dit in het kader van een journalistenuitwisseling tussen Vlaanderen en Nederland. Hij was ondermeer twaalf jaar verslaggever en commentator bij het VTM-nieuws. Daar was hij gespecialiseerd in Belgische politiek en Centraal-Afrika.

NOS Blog: Een nieuwkomer in Den Haag

Toen ik eind oktober voor het eerst de Nederlandse Tweede Kamer bezocht, dacht ik: “Wat een vreselijk saai gebouw. Moet ik hier twee maanden komen zitten?” Buiten valt het nog mee en de ruimtelijke integratie met de historische gebouwen van het Binnenhof is ronduit schitterend, maar de afwerking binnen … die had ik niet verwacht. Het deed me denken aan een shopping mall. Maar dan zonder winkels. Nog erger dus.

I k had het nochtans kunnen weten. Toen ik de voorbije jaren vanuit mijn tv-bank in Vlaanderen de politieke gebeurtenissen zag verslaan in Den Haag, zag ik Jan Peter Balkenende of Femke Halsema interviews geven op een soort warenhuisroltrappen. De parlementairen voerden debatten in een zaal die ik verwachtte in een land achter het oude IJzeren Gordijn. Ik wist niet wat ik zag. “Waar is de etiquette en de smaak?”, dacht ik. Als politiek verslaggever in  Brussel was ik gewend aan een staatplechtig parlement. Historisch gebouw, lakeien die zo in een film over Queen Victoria kunnen meespelen,  een  200 jaar oud  interieur … Als Vlaming heb je er nog altijd de neiging om je te verontschuldigen dat je de “boerentaal” Nederlands spreekt. Een instituut waar je zo maar niet binnen komt, als het ware. Ik denk dat de Nederlandse parlementairen aan de bevolking wilden tonen: “Wij verkwanselen uw zuurverdiende belastingsgeld niet”. Hier werd elke gulden drie keer omgedraaid alvorens uitgegeven te worden. En misschien is dat nog zo slecht niet. Het gebouw in Den Haag is in ieder geval zeer praktisch en het nodigt uit om binnen te komen. Het publiek rolt er massaal aan en af. De ingang ligt in een drukke winkelstraat. Tussen twee aankopen door ga je gewoon even Wouter Bos of Rita Verdonk kijken.

In Brussel moet je de publieksingang gaan zoeken aan de achterkant, eerst moet je door hekken en langs militairen die kijken alsof ze je ieder moment kunnen arresteren. En binnen begeleiden bodes je van de deur tot aan de publiekstribunes en liefst zo snel mogelijk terug. Eén ding is zeker. Wie in België het federale parlement ooit heeft bezocht, heeft een huzarenstukje uitgehaald, en scoort met verhalen op familiefeestjes.  Dan misschien toch beter de shopping mall zonder winkels in Den Haag, waar iedereen over de vloer kan komen. Ook voor de tv-journalisten is het Binnenhof een paradijs.  De vergaderingen in het parlement worden door een centrale regiekamer gefilmd. Alle politieke tv-programma’s hebben er burelen ter beschikking met internetaansluiting, televisies en computers vanwaar je een reportage rechtstreeks naar de kijker kunt sturen. Erg praktisch en efficiënt.

Maar toch moet er me nog iets van het hart. En het heeft weer met die roltrappen te maken. Ooit, jaren geleden, zakte ik bijna door mijn stoel toen de belaagde minister van Financiën Gerrit Zalm op zo’n roltrap iets werd gevraagd dat in de buurt kwam van: “Kunt u niet rekenen of liegt u ons wat voor?”  Voor een gewoon mens is dat al moeten kiezen tussen pest en cholera, voor een minister van Financiën is deze suggestieve vraagstelling dodelijk. In Brussel kun je als minister weglopen of de reporter een klap verkopen met een zwaar dossier en dan snel je dienstwagen inspringen. Maar die brave heer Zalm stond daar op die vermaledijde roltrap met een cameraman en een journalist die hem de enige uitweg versperden.

Ik vraag me al weken af welke van mijn, uiterst sympathieke, NOS-collega’s het was die deze streek ooit heeft uitgehaald.

(Weblog Den Haag / Haagse redactie / 10-11-2008 / 14:04)

Chris Michel (1956) verblijft voor 2 maanden op de NOS redactie in Den Haag. Dit in het kader van een journalistenuitwisseling tussen Vlaanderen en Nederland. Hij was ondermeer twaalf jaar verslaggever en commentator bij het VTM-nieuws. Daar was hij gespecialiseerd in Belgische politiek en Centraal Afrika.

 

Column in de krant De Standaard: Het ontstaan van de Gravensteengroep

CHRIS MICHEL is initiatiefnemer van de Gravensteengroep. Omdat hun eerste manifest zoveel positieve en negatieve reacties uitlokt, legt hij nog eens uit waarom hij ermee begonnen is en hoe het nu verder moet. 'Het Belgische establishment wil blijkbaar geen inhoudelijke discussie aangaan.'

Al een tijd vind ik het raar dat je in dit land in bepaalde milieus niet kan zeggen dat je denkt dat een aantal beleidszaken misschien beter op Vlaams/Waals niveau worden gedaan dan op het Belgische.

In sommige zelfverklaarde "progressieve" milieus word je dan zonder verder gesprek plots onderbroken. Je wordt als onsolidair, enggeestig, extreem-rechts, conservatief en zelfs fascistisch bestempeld. Einde gesprek. Je mag, als 'Vlaamsgezinde', blijkbaar niet meer zeggen dat je solidair wil zijn, dat je de Franstalige vrienden niet haat. Je mag niet zeggen dat je voorstander bent van een open, sociale, groene en multiculturele maatschappij die solidair is.

Maar waarom zou meer autonomie minder solidariteit betekenen ? De discussie over meer defederalisering heeft niets te maken met minder solidariteit maar met beter bestuur voor de burgers. En beter bestuur moet zorgen voor meer geld om beter solidair te kunnen zijn. Volgens diezelfde mensen is "Belgisch" gelijk aan progressief en solidair.

Ik vraag me af wat er sociaal is aan een Belgisch nationalisme dat georkestreerd wordt door de rechtse bourgeoisie ? Weliswaar gesteund door sommige Belgicistische progressieven. Wat is er sociaal aan de Bruxo-Belgische conservatieve machtsspelletjes van het establishment met hun graven en baronnen? Wat is er sociaal aan de talrijke ijdele artiesten in Vlaanderen die graag ontvangen worden op het koninklijk paleis en o zo graag baron willen worden?

Omdat ik mij die vragen stelde besloot ik in november '07 een aantal mensen aan te spreken met verschillende ideologische achtergronden. Met een vriend uit de media contacteerde ik Ludo Abicht. Die stond achter het idee om een tekst op te stellen die zou aantonen dat Vlaams niet gelijk is aan het imago dat de "politiek correcten" het willen opdringen. Daarop contacteerde ik ondermeer Bart Staes, Piet van Eeckhout, Etienne Vermeersch, Peter De Graeve, Paul Ghijsels, Dirk Denoyelle, Jan Verheyen, Yves Panneels... Zij brachten nog anderen aan.

Een aantal mensen die we aanspraken (waaronder een aantal vrouwen) stonden achter ons initiatief, maar durfden niet openlijk meedoen omdat ze bang waren voor represailles in hun werkomgeving.

We wilden de tekst snel publiceren en besloten daarom de beperkte kern van 18 te laten ondertekenen. Omdat er in onze groep mensen zijn met een verschillende visie op de staatshervorming kon iedereen aanpassingen doen aan het eerste tekstvoorstel. Het duurde 3 korte vergaderingen en wat emailverkeer vooraleer de tekst door iedereen goed werd bevonden. Onze belangrijkste gemene deler was de boodschap te verspreiden dat Vlaams niet gelijk is aan onsolidair en extreem-rechts.

Eens de tekst klaar moesten we nog een naam vinden voor onze groep. Het eenvoudigst was de naam te laten verwijzen naar de plaats van onze eerste samenkomst: de buurt van het Gravensteen.

De meesten maakten eerst bezwaar tegen die naam omdat hij misschien oubollig en te romantisch zou klinken. Maar Jef Turf trok ons over de streep: voor hem was de naam ook een symbool van de sociale strijd van de arbeiders tegen de textielbaronnen: in het Gravensteen was in de negentiende eeuw immers een textielfabriek gevestigd. Ook Piet van Eeckhaut was daar achteraf enthousiast over.

Niemand van ons had verwacht dat we zoveel weerklank zouden krijgen in binnen- en buitenlandse pers en dat we in een goede week tijd meer dan 7500 ondertekenaars zouden hebben op onze website. Wat veel is, want met het manifest leuren we niet op scholen, universiteiten, markten of fabrieken. Onze tekst is geen petitie die men eventjes ondertekent op de hoek van de straat, maar wel een relatief lang manifest met behoorlijk wat inhoud. Bovendien belden of schreven heel wat mensen ons dat ze het initiatief wel steunen, maar niet meteen durven tekenen omdat ze de mogelijke reacties vrezen.

De kern van de Gravensteengroep is dynamisch en dat is ook goed zo. Onze groep van 18 kernleden zal nu worden uitgebreid met een aantal mensen, onder wie opnieuw een aantal vrouwen. Mensen die in eigen naam radicalere standpunten willen innemen zullen er uitstappen.

Elke dag komen er honderden steunmails binnen. Naast het algemeen gehoorde positieve "oef, eindelijk" van duizenden mensen is er ook de verwachte negatieve reactie van de Belgicisten. Hun vaak erg agressieve reactie bevestigt dat het hoog tijd was voor dit initiatief. We werden door een paar columnisten in Vlaamse kranten op de korrel genomen, maar moesten vaststellen dat er bijna niet geargumenteerd werd op onze oproep tot gezonde discussie. Veelal werd op de man gespeeld. Toch wil ik de critici die het over de inhoud hebben bedanken, ook al ben ik het niet met hen eens.

Sommige commentatoren betreuren bijv. het "verlies" van de Ardennen en beweren dat Vlaanderen per definitie saai en conservatief zal zijn. Merkwaardig: blijkbaar gaan de Belgicisten onze grenzen sluiten. Want waarom zou ik niet meer op bezoek gaan bij mijn Franstalige vrienden en familieleden in Wallonië? En als ik voorstel om in Benelux-verband meer te gaan samenwerken staan de Belgicisten onmiddellijk op hun achterste poten: "nooit willen ze samenwerken met die Hollanders!" Wie trekt hier eigenlijk psychologische en politieke ijzeren gordijnen op?

Het Belgische establishment wil blijkbaar geen inhoudelijke discussie aangaan.

Waarbij we weer bij het begin van deze tekst zitten. En dat vind ik spijtig want de Engelsen hebben een mooie uitdrukking: "agree to disagree".

(Deze column is verschenen in De Standaard op 6 maart 2008, blz. 24-25)

Inhoud syndiceren
Comments